Cinematheater

Muzikanten
in  de Antwerpse cinema’s

De periode van de stille film in Antwerpen stelde in de jaren 1920 een 300-tal muzikanten tewerk als pianisten, in kleine strijkjes of kleinere orkesten en in enkele tamelijk stevige orkesten. De grootste orkesten waren deze van de Empire, van de Anvers Palace en het orkest van de cinema van de Dierentuin. Bij de invoering van de filmbegeleiding met grammofoonplaten en later bij de invoering van de geluidsfilm zelf ging het beroep van cinemamuzikant verloren.

De orkesten werden afhankelijk van de film versterkt met tijdelijke orkestleden, maar ook andere instrumentisten zoals studenten kwamen zich soms aanbieden om mee te spelen.
Zo stelde Henri Kennes in september 1928 met enkele stukken uit Tanhauser en L’Arlésienne zijn ‘winterorkest’ in cinema Odeon voor met 19 muzikanten.
In november 1928 vertoonde men ‘Koning der Koningen’ in cinema Agora in Borgerhout met een groot zangkoor en dubbel orkest, in totaal meer dan 100 artiesten.
Op 31 mei 1929 werd ‘l’Atlantide’ vertoond als laatste filmvoorstelling in de Folies Bergère opgeluisterd door de volledige orkesten van de Folies Bergère en van de Empire onder leiding van Clement D’Hooghe.

  • In januari 1926 telde de Antwerpse Toonkunstenaarsvereniging 324 muzikanten met een vaste betrekking in een van de 51 Antwerpse cinemaorkesten die werkten volgens de voorwaarden zoals afgesproken met deze vakbond.
  • In december 1926 telde men 296 orkestleden in 47 cinema’s.
  • In augustus 1929 ging het volgens de Toonkunstenaarsvereniging om 412 orkestleden : 120 muzikanten die werkzaam waren in de eersteklas-cinemazalen, en 292 muzikanten in de tweedeklas-zalen.
  • Volgens Wildiers verloren zelfs 463 muzikanten hun werk na de invoering van de geluidsfilm in maart 1930. (Clement Wildiers, De Kinema verovert de Scheldestad, Antwerpen, 1956).
  • Tegen 1 november 1929 zijn praktisch alle Antwerpse cinemaorkesten opgeheven.

Een betrekking in een cinemaorkest was aantrekkelijk voor de meeste muzikanten. Het leverde een goede verdienste op, het ganse jaar door, met vaste werkuren en sedert de tweede helft van de jaren 1920 daarbovenop nog veertien dagen betaald verlof. Een muzikant in de Opera daarentegen had in 1928 slechts een contract van acht maanden en moest voor de overblijvende vier maanden op zoek naar een andere verdienste. De cinemaorkesten konden dus de beste instrumentisten aanwerven. Volgens de Toonkunstenaarsvereniging verdiende een orkestlid in een cinema op die manier per jaar meer dan het dubbele dan een orkestlid in de opera.


Eerste versie 10 mei 2011
laatste aanpassing :