Cinematheater

Muzikanten
in  de Antwerpse cinema’s

De periode van de stille film in Antwerpen stelde in de jaren 1920 een 400-tal muzikanten tewerk als pianisten, in kleine strijkjes of kleinere orkesten en in enkele tamelijk stevige orkesten. De grootste orkesten waren deze van de Empire, van de Anvers Palace en het orkest van de cinema van de Dierentuin. Bij de invoering van de filmbegeleiding met grammofoonplaten en later bij de invoering van de geluidsfilm zelf ging het beroep van cinemamuzikant verloren.

Aantal muzikanten

In 1926 werkten meer dan de helft van de cinema’s in Antwerpen en randgemeenten met een orkest van zes man of meer. De grote orkesten zoals deze van Anvers-Palace, Empire en Zoologie telden tot twintig orkestleden. De orkesten werden afhankelijk van de film versterkt met tijdelijke orkestleden, maar ook andere instrumentisten zoals studenten kwamen zich soms aanbieden om mee te spelen.

De meeste orkestleden waren aangesloten bij de Antwerpse Toonkunstenaarsvereniging, die behalve als mutualiteit, ook optrad als vakbond. Volgens hun cijfers – het betreft dan het aantal gesyndiceerde orkestleden – werkten in de orkesten van de Antwerpse cinema’s volgend aantal muzikanten met een vaste betrekking :

in januari 1926

324 muzikanten

in 51 cinema’s

in december 1926

296 muzikanten

in 47 cinema’s

op 31 december 1928

439 muzikanten

in 52 cinema’s

in augustus 1929

412 muzikanten

Van de 412 orkestleden die men telde in augustus 1929, werkten er 120 in de eersteklas-cinemazalen, en 292 muzikanten in de tweedeklas-zalen. 
Tegen 1 november 1929 zijn de meeste Antwerpse cinemaorkesten opgeheven als gevolg van de invoering van de muziekbegeleiding van de stille films met grammofoonplaten. Een half jaar later schakelden een tiental Antwerpse bioscopen over op het vertonen van geluidsfilms. Slechts enkele bioscopen behielden nog een tijdlang hun orkest.
Volgens Wildiers (Clement Wildiers, De Kinema verovert de Scheldestad, Antwerpen, 1956) verloren 463 muzikanten hun werk na de invoering van de geluidsfilm in maart 1930..

 

Aantrekkelijke baan

Een betrekking in een cinemaorkest was aantrekkelijk voor de meeste muzikanten. Het leverde een goede verdienste op, het ganse jaar door, met vaste werkuren en sedert de tweede helft van de jaren 1920 daarbovenop nog veertien dagen betaald verlof. Een muzikant in de Opera daarentegen had in 1928 slechts een contract van acht maanden en moest voor de overblijvende vier maanden op zoek naar een andere verdienste. De cinemaorkesten konden dus de beste instrumentisten aanwerven. Volgens de Toonkunstenaarsvereniging verdiende een orkestlid in een cinema op die manier per jaar meer dan het dubbele dan een orkestlid in de opera.


Eerste versie 10 mei 2011
laatste aanpassing :