Invoering geluidsfilm

Invoering van
de geluidsfilm
in Antwerpen
1928-1930.

Op het einde van de jaren 1920 werd stilaan duidelijk dat de invoering van de geluidsfilm onvermijdelijk zou worden. Dat werd vanaf 28 maart 1930 werkelijkheid in enkele belangrijke cinemazalen in Antwerpen, maar veel muzikanten waren al eerder hun job als cinemamuzikant kwijtgespeeld.

Het doembeeld duikt op

In de laatste maanden van 1928 vonden in verschillende Antwerpse cinemazalen al demonstraties plaats van toestellen waarmee men films zou kunnen begeleiden met grammofoonplaten. Het doembeeld voor de cinemamuzikanten begon duidelijke vormen aan te nemen.

De Toonkunstenaar
oktober 1928

Het is misschien reeds tot enkelen doorgedrongen dat in de toekomst orkesten in kinemas enkel als in de herinnering zullen voortbestaan.

De Volksgazet
5 december 1928

We begrijpen best, dat het niet moeilijk zal zijn de begeleiding van de film met grammofoonplaten, dank zij dezen luidspreker, kunstvol te maken.

De bioscoopeigenaars bleven voorlopig nog twijfelen om te investeren in een technische ontwikkeling die nog volop aan gang was. De resultaten waren zeker nog niet perfect. Vraag was ook of er voldoende geluidsfilms zouden geproduceerd worden en hoe men de taalbarrière kon oplossen.

In mei 1929 woonde de voorzitter van de Antwerpse toonkunstenaarsvereniging Flor Bosmans in Amsterdam in het Tuschinskytheater de proeven bij met de geperfectionneerde ‘fonograaf’ of grammofoon – de Loetafoon. Hij zou toen geconcludeerd hebben : “wij zijn kapot”. Ook de componist Emiel Hullebroeck was daar aanwezig. Hij was enthousiast over de klank, maar dacht dat het vanwege de hoge kosten toch nog enige tijd zou duren voor de geluidsfilm zou ingevoerd worden.


De Antwerpse Toonkunstenaarsvereniging had al in januari 1929 de ouders opgeroepen om hun kinderen niet langer naar de muziekscholen te sturen. Op 30 juli 1929 riep ook het Congres van de Belgische federatie van Toonkunstenaars ouders op om “hun kinderen een ander beroep te laten kiezen dan dat van muzikant”.

Loonconflict, lock-out en pick-up

Het belette de vereniging niet om stappen te zetten tot een loonsverhoging voor de muzikanten. Dit initiatief zou al gauw een katalysator worden om de geluidsfilm definitief in te voeren in Antwerpen. De muzikanten van Anvers-Palace, Pathé en Eden werden opgezegd tegen 1 september. Ook de andere cinema-uitbaters gingen niet akkoord met de voorstellen tot loonsverhoging en zegden hun orkestleden op tegen 1 november 1929.

Ondertussen zou vanaf 1 september in de cinemazalen van het centrum enkel nog gespeeld worden “met Pick-up en Quatuor met piano, of een van beiden, naar keus”, met een al dan niet meespelende chef. De muzikanten moesten zich wel bij het begin van iedere vertoning aanmelden. Ze mochten dan tijdens de pauze “en terwijl de zaal verlicht is”, een intermezzo spelen.

Tegen deze ‘lock-out’ en ‘tegen de pick-up’ betoogden de muzikanten op zondag 6 oktober 1929 door de straten van Antwerpen. Maar het zou vooral een manifestatie blijken te zijn voor een hopeloze zaak. Een bioscoopdirigent die zich aan de kant van de manifestanten schaarde was J.A. Zwijsen. Hij dirigeerde op het Groot Vredesfeest – de 11-novemberviering van de socialistische organisaties – het symfonisch orkest dat was samengesteld uit ‘uitgesloten muzikanten’.

Filmbegeleidingen met grammofoon

Ook in september 1929 waren vier cinema-uitbaters begonnen met de definitieve invoering van de ‘mechanische’ begeleiding. De muzikale begeleiding van de stille films werd hier sindsdien uitgevoerd met grammofoonplaten in plaats van met een orkest. Naast Willy Tyck van de Anvers-Palace, ging het om Alberic De Paep van de cinema’s Empire en Roxy, de N.V. Gerex van Coliseum en Majestic en tenslotte Michel L’Hoëst van de cinema Zoölogie. 

Van Zundert zelf zag wel in dat een gunstige oplossing voor de muzikanten er niet meer inzat. De mechanische begeleiding zou “de geleidelijken overgang nààr den toonfilm (…) vormen” :

Het werd de dirigent van de Anvers-Palace, Renaat Van Zundert, door zijn collega’s niet in dank afgenomen dat hij zich zo snel gewonnen gaf aan het nieuwe systeem. 

 

“Want, wat gij thans te hooren krijgt, met een geperfectionneerde, electrisch bewogen en door een muzikant geleiden gramofoon, is absoluut hetzelfde wat een toonfilm te hooren geeft. Dat er geen hiaten zijn, geen storende toon-overgangen, dat hangt allemaal af van de handigheid van hem die de platen óp- en àfzet. Dat wordt weer een nieuwe kunst op zichzelf voor den bioscoop-dirigent.”

De orkesten zijn nog niet allemaal verdwenen

Er kwam geen oplossing voor het conflict in zicht. Eind december kon de Toonkunstenaarsbond aan zijn sympathiserend publiek slechts een twintigtal bioscopen in het centrum en de randgemeenten aanbevelen waar nog muzikanten werkten in overeenkomst met het syndicaat. Dat was het geval voor de zalen Odeon en Pro Arte, waar nog een orkest voorhanden was. Vijftien andere cinema’s werkten met een beperkte bezetting van drie of vier gesyndiceerde muzikanten. Deze cinema’s waren vooral gelegen in de randgemeenten.

 

Daarnaast werkten enkel de zalen Prins Albert, Alhambra en Olympia nog met een volledig orkest. Deze drie zalen werden uitgebaat door een bestuur dat het syndicaat der toonkunstenaars gunstig gezind was.
De zaal Olympia in Borgerhout opende op 29 november 1929 onder dit nieuwe bestuur. Enkele maanden later bedankte het bestuur zijn ‘steeds aangroeiend getal trouwe bezoekers’ die het hen mogelijk maakte om zonder pick-up te kunnen ‘volharden in het vertoonen van eerste klasfilmen met begeleiding van een groot symphonisch orkest van eerste gehalte onder leiding van den komponist-orkestmeester J.A. Zwijsen.’

De definitieve invoering van de geluidsfilm

Kort na de invoering van de grammofoonbegeleiding beslisten de belangrijkste uitbaters om definitief over te stappen naar het vertonen van geluidsfilms.
Op 30 september 1929 woonden een tiental Antwerpse cinema-exploitanten in Berlijn de vertoning bij van de eerste volledig in Duitsland gemaakte klankfilm. Door de Duitse ontwikkelingen werden de toestellen om geluidsfilmen te draaien betaalbaar voor de Antwerpse cinema’s en de knoop werd definitief doorgehakt om met de installatie van de toestellen te beginnen. De uitbaters maakten zich sterk dat het aanbod groot genoeg zou zijn en bovendien, men kon ook verder gaan met het draaien van stomme films met grammofoonbegeleiding, vermits die aanpassingen eerder al waren gemaakt in de voornaamste cinemazalen. De orkesten zouden compleet overbodig worden.

Na verschillende proefvoorstellingen is het op vrijdag 28 maart 1930 eindelijk zover. In verschillende cinemazalen worden vanaf nu ook geluidsfilmen vertoond. Het gaat om de volgende zalen :

Roxy; Anvers-Palace; Empire; Coliseum; Forum; Sapho-Palace-Odeon; De Leeuw; Roma; Modern-Palace.
Enkele weken later schakelde ook de Ciné Zoölogie over op het vertonen van klankfilms.

De opmars van de klankfilm in België is hiermee ingezet. In juli 1930 waren er in België al negenendertig cinema’s uitgerust voor sprekende- of klankfilms :

  • twaalf in Brussel
  • negen in Antwerpen plus drie in de omgeving
  • vier in Luik
  • een in Gent, Oostende, Aalst, Mechelen, Brugge, Charleroi, Namen, Verviers, Seraing en La Louvière.

Eerste versie 16 okt 2016
laatste aanpassing :