Historiek ATKV

De toonkunstenaarsvereniging van Antwerpen

In 1874 werd in Antwerpen een Maatschappij van Onderlinge Bijstand opgericht, ‘Antwerpen’s Muzikale Kring’. In 1879 werd ze bij Koninklijk Besluit erkend en in 1882 veranderde deze mutualiteit haar naam in ‘Toonkunstenaarsbond van Antwerpen’.
Toen men in 1899 ook een ‘Syndicale Kamer der Toonkunstenaars van Antwerpen’ oprichtte werd besloten om het ziekenfonds en de vakbond samen onder te brengen in de ‘Toonkunstenaarsvereniging van Antwerpen’. Deze vereniging, in oktober 1899 opgericht onder impuls van Karel Boeyen en Cesar Garitte, zou zich toeleggen op het verdedigen van de beroepsbelangen van de Antwerpse muzikanten.
In 1919 startte de Syndicale Kamer met het uitgeven van het tijdschrift ‘De Toonkunstenaar’. In 1920 ging dit even op in ‘Hand in hand’, het tijdschrift van de ‘Vlaamsche Tooneelkunstenaars van Antwerpen’, maar in 1921 besloten beide syndicaten terug elk hun eigen blad uit te geven. Vanaf augustus 1921 werd dit tijdschrift het ‘Orgaan der Toonkunstenaarsvereeniging van Antwerpen’.
De vereniging werd in augustus 1921 erkend als een wettelijke beroepsvereniging. Ze overkoepelde dan vier onderafdelingen : een ziekenkas (voorzitter is Napoleon Distelmans), een pensioenkas, een werklozenkas en een weerstandskas (voorzitter van de laatste twee afdelingen is Schapping). De uitbreiding van de activiteiten maakte het aanwerven van een bediende noodzakelijk.

Een jaar zonder Opera

Na de Eerste Wereldoorlog groeide de vraag naar muzikanten, voornamelijk voor het amusementsbedrijf zoals de cafés, cinema’s en dancings, en zo groeide ook de invloed van de vereniging. Er werd een weerstandskas opgericht om bij syndicale conflicten de getroffen muzikanten financieel te ondersteunen. Er konden nieuwe tarieven afgesproken worden onder meer voor de muzikanten in de cinema’s.
De vereniging stelde ook nieuwe looneisen voor de muzikanten van de Vlaamse en Franse Opera maar de respectievelijke bestuurders Henry Fontaine en Adolphe Coryn, noch het Antwerpse stadsbestuur konden erop ingaan. Het betekende dat in het seizoen 1920-1921 in Antwerpen de beide opera’s gesloten waren. In oktober 1921 was het conflict voorbij en het syndicaat slaagde er in een verlenging van het seizoen, en dus van de contracten, tot acht maanden te bedingen. Bosmans zelf werd, samen met Renaat Veremans en Julius Schrey vanaf dat seizoen aangesteld als eerste dirigent van de pas ‘Koninklijk’ geworden Vlaamse Opera.
Het afschaffen van de orkesten in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg en in de Volksschouwburg had het syndicaat evenwel niet kunnen verhinderen.

Een eigen lokaal

De burelen van de vereniging waren toen nog gelegen in de Leopoldplaats 2. Maar men keek uit naar een eigen lokaal dat niet enkel zou dienen voor de uitbreiding van de burelen, maar ook als concertgebouw met ruimte voor vergaderingen, repetities en uitvoeringen, en als een soort club met lees-, rook-, speel- en studiekamers, een bibliotheek, een buffet, maar vooral als werkbeurs.
Om hiervoor de middelen te vinden richtte men in 1922 de Samenwerkende Vennootschap Syndicale Kamer der Toonkunstenaars van Antwerpen op. Ieder lid van de vereniging kon op vrijwillige basis aandeelhouder worden van deze coöperatieve. Bosmans werd ook hier voorzitter.
Het lokaal ‘De Oude St-Jan’ in de Gemeentestraat werd aangekocht maar voldeed niet. Eind 1923 koopt de vereniging de vroegere Eldorado aan de Van Wesenbekestraat 10. Op zaterdag 15 maart 1924 werd het nieuwe lokaal, ‘Centraal Schouwburg’ geheten, ingehuldigd met een concert en cabaretavond.

Een jubeljaar

Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de vereniging en het 50-jarig bestaan van de mutualiteit ‘De Toonkunstenaarsbond’, werd op zondag 21 december 1924 in de feestzaal van de Koninklijke Maatschappij van Dierkunde een jubileumconcert georganiseerd met een orkest van 300 uitvoerders. Als dirigenten traden op : Frans Van Havenberghe, Jules Deveux, Lode De Vocht, Constant Lenaerts, Flor Alpaerts en Julius J.B. Schreij.
Een landelijke wedstrijd voor kamermuziekuitvoeringen werd op het getouw gezet waaraan 28 groepen deelnamen. De eerste prijs werd weggekaapt door het sextet Chefnay van Brussel met de uitvoering van een rapsodie van Jongen.
Op 19 februari organiseerde de vereniging een Bachwedstrijd waaraan 17 individuele instrumentisten deelnamen. De eerste prijs werd gewonnen door de violist Edward Steylaerts.
Het slotconcert had tenslotte plaats op vrijdag 10 april in het ‘Theâtre Royal’ onder leiding van Flor Bosmans.

Collectief ontslag van het bestuur

In oktober 1925 beslisten 13 van de 15 bestuursleden ontslag te nemen. Aanleiding was een geschil binnen het bestuur over het hanteren en toepassen van de zogenaamde ‘index’.
Verschillende zalen en uitbaters stonden op die index, onder meer omdat ze gebruikmaakten van ongesyndiceerde muzikanten waarmee ze zich niet aan de afgesproken tarieven hielden. Zo had de ‘Scala’ al in 1922, na een weigering om loonopslag te geven, de ontslagnemende orkestleden vervangen door niet-gesyndiceerde muzikanten. Toen Dhr. Philippart, eigenaar van de Scala, met de nieuwe uitbating ‘Le Châtelet’ begon, kwam deze zaal tegen de zin van bestuurslid Sengier ook op de index. Uiteindelijk werden beide zaken ontkoppeld, maar binnen het bestuur was wel een grote bres geslagen. Bestuurslid Jos Sengier werd beschuldigd van oncollegiaal gedrag en voorzitter Bosmans en de meeste andere bestuursleden drongen aan op een vertrouwensstemming. Die zou er aankomen in januari 1926. Zeven bestuursleden onder wie Flor Bosmans stelden zich opnieuw kandidaat en werden met een overtuigende meerderheid in hun bestuursfunctie bevestigd.

De actie voor de cinemamuzikanten

Op vrijdag 20 november 1925 trokken de Antwerpse filmmuzikanten naar Brussel voor de viering van de 25ste verjaardag van het Belgische Toonkunstenaarssyndikaat. Alle kinema’s van Antwerpen zaten die dag en die avond zonder muziek. Deze ‘staking’ en ‘betoging’ gebeurden onder impuls van Flor Bosmans die toen voorzitter was van de toonkunstenaars. Er kwamen gerechtszaken van. Eindresultaat was wel dat de muzikanten vanaf de zomer van 1926 een veertiendaags betaald verlof kregen.
Een jaar later, op zondag 17 oktober 1926, betoogden een 400-tal muzikanten door de stad langs de ‘rattekwekerijen’, waarmee men de cinema’s National, Trocadero, Coliseum en Scala bedoelde. In deze spektakelzalen werden muzikanten tewerkgesteld onder het door de toonkunstenaarsvereniging vastgesteld tarief.

Een nieuw lokaal

In december 1927 verhuisde de Toonkunstenaarsvereniging naar haar nieuwe eigendom aan het Statieplein 2-3. Dit was gelegen aan de achterzijde van hun vroegere zetel. Daar was de brasserie “Artes” gelegen, die nu eigendom werd van de Syndikale Kamer. De jonge violist Theo Van Doren werd er de leider van het orkest dat hij samen vormde met Karel Van Tolhuyzen, cellist, Jan Celis, pianist en G. Coenen, ripieno. Naar het schijnt klonken daar als meest populaire nummers de ‘Canari’ van Poliakin voor viool, de ‘Chant Hindou’ van Korsakow voor cello en de ‘Rapsodie’ van Liszt voor piano.

Spektakelverbond

In februari 1931 richtte de vakbond der Toonkunstenaars mee het spektakelverbond op, samen met de vakbonden van de toneelkunstenaars; de lyrische kunstenaars; de variétéartisten; de machinisten, electriciens, operateurs, bobineurs; de koren, figuranten en danseressen; het andere personeel van de cinema’s en schouwburgen. Elke vakbond behield zijn afzonderlijk bestuur maar was vertegenwoordigd in de centrale raad van het Spektakelverbond.


© Erik Zwysen, 11 juni 2010
laatste aanpassing 28 januari 2018